20 En Altijd Komen Er Schepen… 3'03 (Jan Vogel, Anton
Beuving) - voorzang Peter Scheffer
De ex-zeeman Anton Beuving is als tekstschrijver
het meest bekend van het lied Ketelbinkie. Hij schreef En altijd komen er schepen
oorspronkelijk in de ik-vorm, dus voor een vrouwelijke vertolker.
't Was op een dag in januari, in Rotterdam, op Katendrecht.
Toen heeft haar knul- de Blonde Arie haar voor het laatst gedag gezegd.
Hij had gemonsterd op de Vrede voor zeven weken uit en thuis.
Nou is het zeven jaar geleden en nog kwam Arie niet naar huis.
refrein:
En altijd komen er schepen aan Katendrecht voorbij.
Maar de schuit van Blonde Arie die is er nog steeds niet bij.
Doet zij een boodschap voor de Heren,
smeert zij hem naar het Willemsplein
om daar vol angst te informeren,
wie der weer bij gekomen zijn
En altijd schepen, vreemde vrouwen,
zij ziet matrozen, blond en blij,
daar dan hun plunjezakken sjouwen,
maar die zij zoekt is er niet bij.
refrein:
En altijd komen er schepen aan Katendrecht voorbij.
Maar de schuit van Blonde Arie die is er nog steeds niet bij.
Vaak wordt zij 's avonds aangeslagen
als zij daar aan de kade staat,
soms durft zo'n kerel haar te vragen
of zij met hem eens dansen gaat.
Bij zo iets jeuken dan haar handen,
maar als 't een zeeman is, die vent,
dan vraagt ze, hunk'rend van verlangen,
oftie der Arie heeft gekend.
refrein:
En altijd komen er schepen aan Katendrecht voorbij.
Maar de schuit van Blonde Arie
die komt daar nooit meer voorbij.