De fles die speelt een droeve rol
In heel mijn jong bestaan.
Doordat mijn moeder zwakjes was
Ben 'k aan de fles gegaan.
Mijn dwaze vrind die steeds mij bindt,
Gaf meenge levensles.
Ik heb gelachen en geweend
Met jou, zeg oude fles.
Wanneer ik afgemonsterd was,
Dan was mijn eerste gang,
Naar haar die 'k beurtlings kussen mocht.
Op link'- en rechterwang.
En als een ander naar haar keek
Dan flikkerde mijn mes,
Vooral als ik eens wat te veel
Gebruikt had uit de fles.
De kroeg waar haar buffetje stond
Bezocht ik iedre dag.
En menig glaasje schonk zij in
Met hare gulle lach.
Met haar gezichtje, fijn en wel
Leek 't wel een barones
Ik hoorde, zij had tien procent
Van iedre dure fles.
Ja, 'k hoorde veel. Ik hoorde nog,
Als zij eens wandlen gaat,
Dan is ze net zo goed -voor geld –
Voor een andre matrozenmaat.
Toen sloeg ik 't boeltje kort en klein
In 't kroegje aan de Nes.
'k Ging voor een jaar de bajes in,
Voor 't rammlen met de fles.
Als eenzaam op de Oceaan
De stormwind huilt en brult,
Wanneer de dood zijn zwarte kleed
over ons vaartuig hult,
Wanneer vergeefs de marconist
Het sein geeft: S.O.S.,
Dan spoelt een laatste groet naar land,
Geborgen in een fles.