Zang By Den Ramp Te Leyden
Op 12 januari 1807 ontplofte aan het Steenschuur in Leiden een kruitschip; een ware ramp was het
gevolg. Ter gelegenheid van de 200-jarige herdenking schreef
Voor de muziek ging De Vries te rade bij de tijdgenoot Franz Schubert (1797-1828). Om dit goed te laten horen is
een versie met piano- en violoncellobegeleiding als
bonustrack aan deze cd toegevoegd. Tijdens de officiële herdenking van de ramp
in januari 2007 werd het lied door Rumor di Mare voor het eerst gezongen.
ô Menschen! Wilt dit
onheil horen,
Dat Leyden plots’ling overkwam:
Een’ klap weerklonk als nooit tevoren -
Werd zelfs gehoord te Amsterdam! -
Een schip dat rustig kwam gevaren
Over de milde waterbaren
Had zich in Leyden neêrgelegd.
Wat lag het diep! Een halve vadem!
Het was alleen met kruyt
geladen
En kruyt
verdraagt een vonkjen slegt!
En kruyt
verdraagt een vonkjen slegt!
Was het de knegt die
wilde koken
Uit honger na een lange tocht?
Of was ’t de schipper die om ’t rooken
Een pypjen zich had
uitgezocht?
Geen mensch nog, die het
kan verhalen,
Al zoekt gy duizend-, duizendmalen:
Geen levende getuig’ is meer!
Zy lieten zelfs geen kreet
meer horen:
Het vuur deed hen totaal versmoren;
Hun asch
kwam uuren later neer!
Hun asch
kwam uuren later neer!
ô Kinderen! op school gezeten,
Verzonken in het lerend spel,
Gyj hebt het nauwelijks
geweten,
En raakte doodelijk
bekneld.
Nu ligt gy daar als naameloze,
Geknakte, pas ontloken roozen
In ’t witte steenommuurde
graf.
Ach! zwangeren, de tijd
van baren,
Die mogt u nimmer
wedervaren. -
De dood was nooit zo
dubbel laf.
De dood was nooit zo
dubbel laf.
Geen muur meer binnen honderd meter
Kon ’t daverend geweld weêrstaan.
En die daarbuiten was, die deed er
Goed aan om met spoed te gaan.
Van ’t schip nog kwam er door de beving
Een deel teregt in heel
d’ omgeving:
Het roer buiten d’ Hoogwoerdse
Poort,
Temidden splinters, niet te tellen,
De mast in Sint Anna’s
Kapelle.
Hij ligt er nog: zooals het hoort!
Hij ligt er nog: zooals het hoort!
Het Raapenburg kwam droog
te vallen!
Er hing een schrikkelijken
damp!
Ach! Plotse stilte na het schallen:
Nog nooit trof Leyden
zulk een ramp!
Ik mag-! ô God! Ik wil
’t belyen!
Nog elken dag een traantjen schreien!
Hier past toch nauw’lijks
een moraal,
Dan dat u heel goed uit moet kijken,
Mocht er een kruytschip
naast u blijken,
Dat is dan ’t einde
van ’t verhaal!
Dat is dan ’t
einde van ’t verhaal!