Zang By Den Ramp Te Leyden

Op 12 januari 1807 ontplofte aan het Steenschuur in Leiden een kruitschip; een ware ramp was het gevolg. Ter gelegenheid van de 200-jarige herdenking schreef Jan Marten de Vries dit lied. Hij liet zich hierbij inspireren door de dichter Willem Bilderdijk (1756-1831) die ten tijde van de ramp in Leiden woonde en in 1808 een herdenkingsgedicht schreef.

Voor de muziek ging De Vries te rade bij de tijdgenoot Franz Schubert (1797-1828). Om dit goed te laten horen is een versie met piano- en violoncellobegeleiding als bonustrack aan deze cd toegevoegd. Tijdens de officiële herdenking van de ramp in januari 2007 werd het lied door Rumor di Mare voor het eerst gezongen.


ô Menschen! Wilt dit onheil horen,

Dat Leyden plots’ling overkwam:

Een’ klap weerklonk als nooit tevoren -

Werd zelfs gehoord te Amsterdam! -

Een schip dat rustig kwam gevaren

Over de milde waterbaren

Had zich in Leyden neêrgelegd.

Wat lag het diep! Een halve vadem!

Het was alleen met kruyt geladen

En kruyt verdraagt een vonkjen slegt!

En kruyt verdraagt een vonkjen slegt!

Was het de knegt die wilde koken

Uit honger na een lange tocht?

Of was ’t de schipper die om ’t rooken

Een pypjen zich had uitgezocht?

Geen mensch nog, die het kan verhalen,

Al zoekt gy duizend-, duizendmalen:

Geen levende getuig’ is meer!

Zy lieten zelfs geen kreet meer horen:

Het vuur deed hen totaal versmoren;

Hun asch kwam uuren later neer!

Hun asch kwam uuren later neer!

ô Kinderen! op school gezeten,

Verzonken in het lerend spel,

Gyj hebt het nauwelijks geweten,

En raakte doodelijk bekneld.

Nu ligt gy daar als naameloze,

Geknakte, pas ontloken roozen

In ’t witte steenommuurde graf.

Ach! zwangeren, de tijd van baren,

Die mogt u nimmer wedervaren. -

De dood was nooit zo dubbel laf.

De dood was nooit zo dubbel laf.

Geen muur meer binnen honderd meter

Kon ’t daverend geweld weêrstaan.

En die daarbuiten was, die deed er

Goed aan om met spoed te gaan.

Van ’t schip nog kwam er door de beving

Een deel teregt in heel d’ omgeving:

Het roer buiten d’ Hoogwoerdse Poort,

Temidden splinters, niet te tellen,

De mast in Sint Anna’s Kapelle.

Hij ligt er nog: zooals het hoort!

Hij ligt er nog: zooals het hoort!

Het Raapenburg kwam droog te vallen!

Er hing een schrikkelijken damp!

Ach! Plotse stilte na het schallen:

Nog nooit trof Leyden zulk een ramp!

Ik mag-! ô God! Ik wil ’t belyen!

Nog elken dag een traantjen schreien!

Hier past toch nauw’lijks een moraal,

Dan dat u heel goed uit moet kijken,

Mocht er een kruytschip naast u blijken,

Dat is dan ’t einde van ’t verhaal!

Dat is dan ’t einde van ’t verhaal!